Analyse door Eveline Zuurbier

[Zieuwent]

Iedereen is aan het nadenken over hoe het gebrek aan woningen in de Achterhoek kan worden opgelost. Er is sprake van een woningnood onder ouderen en jongeren: er zullen nú woningen moeten bij komen. Een dilemma voor gemeenten die zaken willen regelen in bouwvergunningen, absolute bestemmingen en met modellen rekenen. Volgens de perspectieven van de gemeenten nemen hun inwoneraantallen af, wat jongeren ernstig in twijfel trekken: ‘als er nu woongelegenheid geboden wordt, bouwen wij aan een tof dorp!’

In de Radstake kwamen eind oktober 2019 Achterhoekse jongeren van het ‘Bruistcafé Wonen’ bijeen en 1 november werd er met architecten, woningcorporaties en meer betrokken partijen in de BMV in Mariënvelde over het woonvraagstuk nagedacht. Betaalbaarheid, duurzaamheid –hergebruik van grondstoffen-, woongenot, zelfredzaamheid en geborgd voelen, vormen samen de toets om ‘bewoning op een kavel’ wel of niet te laten doorgaan. Het collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO) waarbij toekomstige bewoners gezamenlijk opdrachtgever zijn voor hun eigen bouwproject, voldoet aan al die ingrediënten. De bouw van starterswoningen op het ABCTA-terrein in Beltrum en ‘De Bond’ in Harreveld zijn reeds gerealiseerde CPO-voorbeelden. Een oude school ombouwen tot appartementen (Winterswijk en Halle-Heide) komt tegemoet aan het besparen van grondstoffen en de CO2-uitstoot c.q. stikstof. En als woongelegenheid gecreëerd kan worden in de plaats waar jongeren opgegroeid zijn, dan komt dat ten goede aan het woonplezier.

Want je kan dorpen niet ongebreideld laten groeien. Nieuwbouw is bouwen voor op den duur leegstand. En wanneer je dat onbeperkt zijn gang laat gaan, doe je daarmee de leefcultuur in de dorpen geweld aan. En dan zitten de kleine dorpen nog met de agrariërs die hun bedrijven beëindigen omdat ze er geen toekomst meer in zien. Wat gaan we met al deze boerderijen doen? Daarnaast zijn de vrijgekomen bedrijfsgebouwen een kans om boerderijen te splitsen of in trend van ‘industrieel wonen’ een stal of een schoppe om te toveren tot iets moois. Maar dan moet je er wel geld voor hebben en zullen gemeenten een beetje sneller moeten acteren de levendigheid ingevuld te houden.

Kans van slagen

Zo zijn in Zieuwent acht jongeren op zoek gegaan naar betaalbare starterswoningen in hun dorp. Hun plan is in betaalbare tiny houses gaan wonen, coconachtige enigszins mobiele huisjes die niet meer dan 50 m2 beslaan, opgetrokken uit twee containers of een prefab bouwpakket. Ze zijn vrijwel geheel zelfvoorzienend. Met de tijdelijkheid van zo’n tien tot vijftien jaar hebben ze geen probleem, als ze maar in hun geboortedorp kunnen blijven wonen. Deze jongeren hebben ‘een concrete vraag met namen en rugnummers’, zoals de gemeente dat graag heeft. Als ze een stuk grond zouden vinden in de kom van Zieuwent wil de gemeente met hun plan meegaan mits er geen ‘kansrijker gebied’ opdoemt waar snel en zonder veel gedoe woningen ontwikkeld kunnen worden.

Droebel ’t Donderwinkel. Foto: Eveline Zuurbier

De jongeren vonden onlangs een eigenaar die een kavel beschikbaar heeft schuin tegenover de kerk. De plek staat bekend als ‘Stegas’, de bakker, langgeleden de boerderijbakkerij van de familie Venderbosch. Een herontwikkeling waar gemeentes gevoelig voor zijn en een plaats voor acht tot tien tiny houses wat de groep vrienden juist prettig vindt om in de nabijheid van elkaar te kunnen blijven wonen. Hun toffe plan lijkt te worden ingehaald door de grote interesse voor het gebied rond de Werenfriedstraat aan de rand van Zieuwent. Een gebied waar de contouren van de vroegere woonvorm van een droebel aanwezig zijn en waar behalve de gemeente Oost Gelre ook een cultuur-historische vereniging als de Oudheidkundige Vereniging Zöwent voorstander van is. De inclusieve structuur van droebels kenmerken immers het Achterhoekse landschap en de manier van hoe wij hier met elkaar omgaan. In een droebel wonen de oudere generaties met de jongere in een buurt samen. Droebelbewoning geeft ook kansen voor ouderen om langer zelfstandig en in eigen omgeving te kunnen wonen. Zelfredzaamheid en naoberschap (nabuurschap) zijn er van oudsher natuurlijk aanwezig. De financiële haalbaarheid en werkbaarheid in deze woonvorm zijn gedekt. En ook dit zijn punten die meewegen voor de kans van slagen. Want wat iedereen wil voorkomen is een desinvestering.

Kapitaalvernietiging

Architecten die culturen altijd in ogenschouw nemen voor hun ontwerpen; bouwbedrijven en banken hebben heden ten dage garanties nodig. Die zitten met name verborgen in bouwvergunningen en in de afschrijving. Hiervoor moeten banken na de bankencrisis zich verantwoorden. Want wat zal er na die vijftien jaar aan restwaarde over zijn van de tiny houses? Bovendien rijst de vraag of tiny houses dan niet een veel te dure behuizing zijn. Creatieve ondernemende types zullen zeggen: tiny houses zijn bouwpakketten en die nemen we onder de arm mee naar een leukere plaats. Die flexibiliteit is van waarde. Maar of dat de manier is om je heil te zoeken, zetten de meesten vraagtekens bij. Haalbaar en veel effectief voor de korte termijn zijn wonen in grote boerderijen en zelfs leegstaande schuren om niet te hoeven slopen. Slopen is in de hele stikstofaffaire not-done geworden. Duurzame ontwikkelaars noemen dat kapitaalvernietiging. In de mogelijkheid van verhuur en flexibele inzetbaarheid zitten de gunfactor voor de betaalbaarheid voor zowel jongeren als ouderen. Wat werkelijk alle waarden vertegenwoordigt die we belangrijk vinden, leert ons toch de droebel eens beter te verkennen.

Wat tekent de droebels?

Dat hoor je snel genoeg wanneer je meefietst met gids Lucia Beerten over de Kerkepaden langs de Zieuwentse droebels. Droebels zijn groepen boerderijen bestaande uit een stamhuis en meerdere kleine boerderijen daar omheen. Ze komen voor op zandruggen in het landschap. ‘Zöwent lag namelijk in de 18e en 19 eeuw voor de helft van het jaar met ’t gat in het water’. Zieuwent ligt op het laagste punt van de Achterhoek. De bodemgesteldheid dwong mensen met elkaar te leven en samen te werken. Het waren lotgenoten van elkaar en daarmee geheel zelfvoorzienend. Ze plantten populieren en elzen om de bodem droger te krijgen. De broekbossen leverden ook hout als grondstof.

Hoe de mensen in deze woonvorm op elkaar aangewezen waren schetst ze in een intrigerend verhaal over haar overgrootoma ‘Kevelder Gerretje’. Ze was een baakster (verloskundige en kraamverzorgster tegelijk) die leefde van 1858 tot 1937. Ze ging van droebel naar droebel om vrouwen te assisteren in hun moederrol. Als een moeder haar eerste kind niet kon voeden dan had Kevelder Gerretje al de verbinding gelegd met een ervaren moeder (‘een moôder met ’n heel’n trop kind’n’) in de droebelbuurt die moedermelk kon afstaan.

Dat was in die tijd heel normaal. Zonder die primaire hulp had de baby geen levenskans. Met de vraag: ‘wil je den kleine in lèv’n holden’, was alles gezegd en werd alles gedaan. Het leven van Kevelder Gerretje verklaart heel veel over hoe de verhoudingen toen en nu zijn. Haar biografie vertolkt hoe de Achterhoeker in het naober-DNA heeft meegekregen en waar hij zich wel bij voelt.