[Ruurlo]

Bevreesd dat het dialect in de Achterhoek bezig is uit te sterven, is Marije Stomps niet. De streektaalfunctionaris uit Ruurlo hoort op scholen en bij jongerengroepen dat het eerder stoer is om plat te praten. “Vergelijkbaar met straattaal in stedelijke gebieden.”

Tekst: Gerard Menting Foto: Marian Oosterink

Ook als de ouders thuis vooral Nederlands praten tegen hun kinderen, pakken die vaak zelf bij de sportclub, op school of in vriendengroepen de streektaal op. “Niet iedereen zal met elkaar in het dialect praten, maar verstaan kunnen ze het wel. Ze vinden het wel stoer om er af en toe een platte leus of uitspraak uit te gooien, merk ik aan mijn kinderen,” zegt Marije Stomps, die sinds een halfjaar als streektaalfunctionaris het boegbeeld van het Achterhoeks is.

Zoals dat bij haar wel vaker gaat, kwam Stomps er via via achter dat het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL) een streektaalfunctionaris zocht. Een marketingbureau had haar tekstbureau Marije Schrijft ingeschakeld voor het maken van een persbericht over de Nedersaksische streektalen. Zo kwam ze erachter dat ze bij het Erfgoedcentrum in Doetinchem nog een streektaalfunctionaris zochten.

Vinkje bij alle eisen

“Dat triggerde mij wel. Ik ben verknocht aan de Achterhoek en het Achterhoeks, ik vond het belangrijk daar wat mee te doen.” Toen ze de vacature onder ogen kreeg, kon ze een vinkje zetten bij alle eisen, van dialect spreken tot vlot communiceren en organiseren. “Mijn moeder zei meteen: ‘Da’s echt wat veur ow’, zegt ze lachend. Dat vond ECAL-directeur Femia Siero ook. Sinds een half jaar is nu het streektaal-boegbeeld, al was het wel een periode waarin door corona veel stil lag. “Maar er staat nu veel op stapel”, kondigt ze vast aan.

Dat ze zich inzet voor het Achterhoeks is omdat ze het belangrijk vindt dat mensen Achterhoeks blijven praten. “Het is een deel van je eigenheid. Het zegt iets over wie je bent en waar je bij hoort.”

Ze wist niks van wat er speelt op streektaalgebied toen ze de deeltijdfunctie oppakte. “Ik had wel het idee dat het vooral de oude garde is die bezig is met activiteiten rond het dialect. Zij hebben vaak ook meer tijd daarvoor. Maar het idee dat de streektaal uitsterft, heb ik totaal niet. Rondom Ruurlo, waar ik woon, praat ik eigenlijk alleen maar plat. Ook in vriendengroepen is dat nog steeds zo. Ik denk ook dat de tijd dat plat praten gelijk stond aan boers wel voorbij is. Streektaal is iets om trots op te zijn.”

Kentering

Ze vindt voorbeelden genoeg om eerder van een kentering te spreken. De toenemende aandacht voor de eigen leefomgeving helpt daarbij. “Voor jongeren is het vaak stoer om dialect te praten, niet iets om je voor te schamen. Kijk alleen maar naar de Zwarte Cross, waar ze in de aankleding en communicatie veel in dialect doen. Vake bu’j te bange is een kreet die ze nu in het hele land kennen. De jeugd neemt dat over, net als de trots op het Achterhoeks.”

Er zijn vloggers met duizenden volgers die de streektaal gebruiken, vertelt ze. Al jong pikken kinderen dat op. “Mijn zoon van zes hoort tot een groepje FC Twente-fans, die er graag van die leuzen in het plat uitgooien. Eigenlijk is het dialect dan te vergelijken met straattaal. De jongens vinden het stoer om zich zo uit te drukken. Mooi toch, dat het al jong begint?”

De kentering die ze noemt, is ook te illustreren met de regionale inbreng in programma’s zoals Beste Zangers. Sanne Hans vertolkte daar vorig jaar een dialectnummer van Jovink en de Voederbietels. Het opmerkelijke was niet het zingen in het dialect, maar het feit dat daar geen bijzondere aandacht voor was. Het werd niet als iets exotisch gepresenteerd. Dit seizoen zit in dat programma dialectrocker Hendrik-Jan Bökkers als een van de deelnemers. Het landelijke succes van de met Twents doordrenkte film De Beentjes van Sint Hildegard is nog zo’n voorbeeld.

Cursus Achterhoeks

Dat er volop leven zit in de Achterhoekse streekcultuur bewijst ook de Cursus Achterhoeks, die door het Erfgoedcentrum is opgezet voor nieuwkomers in de Achterhoek. Razendsnel zat de eerste cursus – onder anderen met burgemeester Anton Stapelkamp van Aalten onder de deelnemers – vol, net als de tweede en de derde. “Je merkt dat mensen moeite willen doen om de cultuur van de plek waar ze wonen te begrijpen,” zegt Marije. “De cursus is best op niveau, met goede sprekers over onder meer muziek en dichter Staring, over taal en omgangsvormen. Als je jao jao als antwoord krijgt, is het fijn als je weet wat er wordt bedoeld en hoe je daarop reageert,” geeft ze als voorbeeld.

Zelf kreeg ze al eens pittige mailtjes omdat ze dialect niet volgens de regels van de WALD-spelling schreef. “Daar moest ik even om lachen. Ik geef toch het goede voorbeeld door het te proberen? Dat is belangrijker. Schrijven in dialect had ik nooit gedaan, ik heb dat nu wel opgepakt en ben het aan het leren. Regels bieden ook houvast.” Daar komt ook digitale hulp bij. ECAL is bezig alle WALD-woordenboeken te digitaliseren en online doorzoekbaar te maken.

Theatershow Wiesneus

In het najaar staat een serie activiteiten op stapel, waaronder vaste elementen zoals het streektaaldictee, Plat Gespöld (streekmuziekfestival) en in februari de Waeke van ’t Achterhookse en Liemerse Boek. Voor basisscholen is er samen met de bibliotheken het lesaanbod Wiesneus. Met de liedjes uit de lessen is op 9 oktober een gratis theatervoorstelling. Ook is er een streektaalsymposium in november.

Daar zal op social media wat meer ruchtbaarheid over komen. Tot nu toe werden die middelen waarmee je ook jongere doelgroepen bereikt sporadisch ingezet. “Daar ben ik nu best druk mee. Je merkt dat het werkt, het aantal ECAL-volgers stijgt en ik krijg enthousiaste reacties als ik wat deel.”