[Hengelo]

Hij is naar eigen zeggen verslaafd aan (oude) fietsen, maar nog veel meer mensen kennen Bennie Maalderink (77) in Hengelo en omgeving vanwege de klassieke auto’s waarin hij al jarenlang rondrijdt: “Omdat het apart is, zulke auto’s heeft niemand!”

Tekst en Foto’s: Luuk Stam

Zijn buurjongens reden in zijn jeugd allemaal in een Opel of een Volkswagen, maar toen Hengeloër Bennie Maalderink 18 jaar oud werd, wist hij het zeker: hij wilde een Citroën 2CV, een eend. Zijn kameraden lachten hem uit en in de buurt vonden ze het maar raar. Dat kon de tiener niks schelen. “Ik reed zo’n auto voor mijzelf, niet voor de buurt”, blikt hij terug. “En ik was er zielsgelukkig mee. Toen heb ik me al voorgenomen: ik wil de rest van mijn leven aparte auto’s rijden. Nu ben ik 77 en ik dat maak ik nog steeds waar.”

Wat heet. We ontmoeten Maalderink op een zomeravond tijdens een ritje met zijn Moskwitsch uit 1963 van Russische makelij, een paar dagen voordat hij afreist naar Maagdenburg (Duitsland) voor een treffen van Oost-Europese auto’s. Met acht Nederlandse liefhebbers gaat het die kant op. “Onderweg hebben we contact via de walkie talkie”, vertelt de zeventiger, die van moderne technieken als smartphone en computer niks moet weten. “En we gaan niet over de snelweg, dat is met deze auto’s levensgevaarlijk. Alleen over de kalm-an-Strasse!”

De Oude Fiets

Kalm aan gaat het ook op de historische fiets die Maalderink rijdt, een Juncker uit 1947. Op dit vlak treft hij eveneens regelmatig gelijkgestemden. De Hengeloër is lid van de landelijke vereniging De Oude Fiets, die toertochten door heel het land organiseert. Maalderink zelf deed dat namens die vereniging al meerdere keren in de Achterhoek, eerder deze maand startte er voor het eerst een tocht met heel wat fietsen uit de jaren twintig, dertig en veertig vanuit zijn thuisdorp. “En al die fietsen hebben iets speciaals!”, klinkt het.

Zo heeft zijn eigen Juncker-fiets een terugtraprem en een lamp van het Zwitserse merk Lucifer met dynamo, volgens de huidige eigenaar ‘extreem duur’ voor de jaren veertig waarin het rijwiel gebouwd is. De fiets was ooit eigendom van een fabrieksdirecteur. Maalderink kocht de tweewieler in Noord-Holland. “Als je eenmaal een beetje in dit wereldje zit, dan word je gebeld als er iets moois te koop staat”, vertelt hij. “Samen met een kameraad ben ik met mijn Trabant die kant op gereden om ’m op te halen.”

Collectie

Die Trabant maakt dan weer deel uit van een heuse collectie klassieke auto’s. Waar Maalderink aanvankelijk vooral Franse auto’s reed – na de eend volgde onder andere een Citroën Visa – bracht zijn fascinatie voor Oost-Europa hem richting de auto’s daar. Zo haalde hij zijn Trabant in de jaren zeventig hoogstpersoonlijk in Oost-Duitsland op nadat hij die van een kennis van de familie kreeg aangeboden.

Eerder had Maalderink ter plekke al voor het eerst in zo’n Trabant gereden. “De wegen daar waren slecht, zaten vol gaten”, neemt de autoliefhebber ons mee terug naar dat moment. “Dus ik reed rustig en voorzichtig, maar die man zei: ‘Je moet sneller rijden!’ Hij zou het zelf wel even voordoen. Nou, hij vloog werkelijk over die gaten heen. Ik zeg: ‘Pas toch op! Straks valt die auto nog uit elkaar!’ Hij zegt: ‘Nee, ‘een Trabi’ valt nooit uit elkaar.’ Sinds die dag ben ik gek op deze auto. Een Trabant is een vrachtwagen, een tractor en een luxewagen ineen.”

Ruilmiddel

Als Maalderink eenmaal van wal is gestoken, komt zijn enorme kennis in deze voor het voetlicht. Hij vertelt over hoe de Trabant in de DDR werd gebruikt als ruilmiddel voor handel met bijvoorbeeld Hongarije of Tsjechië. Zo leverden honderd Trabant-auto’s vier of vijf treinstellen op. Of vier of vijf bussen. De vraag naar deze auto’s werd zo veel groter dan het aanbod. De mensen in de DDR zelf moesten wachten, soms meer dan twaalf jaar. “Die auto’s zijn grotendeels met de hand gemaakt”, vertelt Maalderink. “Eén Trabant bouwen kostte in het begin tachtig uur. Toch zijn er bijna vier miljoen geproduceerd.”   

“En waarom ik Russisch rijd?”, stelt hij zelf de logische vervolgvraag. “Omdat ik ook die auto’s destijds in de DDR zag rijden. Rusland had iets geheimzinnigs, zo’n auto was bijzonder, dat vond ik mooi. Later krijg je door het treffen in onder meer Maagdenburg steeds meer contacten in die autowereld, via via leer je dan ook veel Russen kennen. Dat zijn heel aardige mensen, net als jij en ik, ze hebben alleen de pech dat ze in dat verrekte rotsysteem zitten. Dankzij die mensen lukt het me nu om aan onderdelen voor deze auto te komen, want daarin zit ’m de sport. Zonder een netwerk kun je zo’n oude auto niet rijden.”

Ander tijdperk

In zijn thuisomgeving krijgt de Hengeloër zelden of nooit een opmerking over zijn Russische auto, al zit één opmerking van een voorbijganger onlangs in het bos hem flink dwars. Het was de enige keer dat de naam Poetin viel. Maalderink schudt zijn hoofd. “Dan snap je er dus niks van, want deze auto heeft helemaal niets met Poetin te maken. Deze komt uit de jaren zestig, uit een heel ander tijdperk. Deze auto heeft – net als de Trabant – de opkomst van het communisme overleefd, ik rijd in Europese geschiedenis. Het mocht niks kosten en er waren nauwelijks middelen voorhanden. Dat ze onder die omstandigheden toch een auto hebben kunnen construeren, dat is een prachtig stuk historie en dat intrigeert mij. Daarom vind ik het heel mooi om erin te rijden. En omdat het apart is, zulke auto’s heeft niemand!”

De Moskwitsch 403 is maar anderhalf jaar in productie geweest, er zijn er zo’n 1.500 van gemaakt. Die van Maalderink – hij kocht de auto in 2006 – is volgens de overlevering jarenlang gebruikt als directiewagen voor een scholengemeenschap in Polen. Nu is het de enige van dit type in Nederland. De wagen trekt hier dan ook heel wat bekijks. “Soms vragen mensen waarom die auto zo hoog op de wielen staat”, vertelt de eigenaar. “Dan leg ik uit dat zo’n auto overal in Rusland moest kunnen rijden, ook in Siberië, waar vaak sneeuw ligt en waar je eindeloze zandwegen hebt. Overal is over nagedacht. Dat vind ik prachtig.”

Fietsfamilie

Zijn passie voor auto’s heeft Maalderink zeker niet van zijn vader, want die had niet eens een rijbewijs. “Hij vond een auto maar niks, deed alles op de fiets”, aldus de zeventiger, die jarenlang voor de Gelderse Tramwegen (GTW) en de bedrijven die daar na fusies uit voortvloeiden werkte. “De familie Maalderink is een fietsfamilie. Mensen denken vaak dat ik verslaafd ben aan auto’s, maar dat is niet zo, ik ben verslaafd aan fietsen, maak graag lange tochten. Met de fiets kom je overal. De dijkjes langs de IJssel bij Bronkhorst, prachtig!”

Toch zijn het de auto’s die er veel meer nog dan de fietsen voor zorgen dat er via de telefoon in de vensterbank in de keuken in het buitengebied van Hengelo geregeld verzoeken voor een interview binnenkomen. Vaak wijst Maalderink die af. Voor de krant in de buurt vertelt hij deze avond graag zijn verhaal. Ook toen er onlangs een Italiaans autoblad belde om langs te komen voor een reportage, kon hij niet weigeren. “Al blijf ik me afvragen waarom, hoor. Want iedereen heeft toch een hobby? Ik heb hobby aan fietsen en auto’s, is dat dan zo raar?”