[Ulft]

Verspreid over het DRU Industriepark in Ulft zijn op veel plekken verwijzingen te vinden naar het oer-verleden van Ulft. De ijzerwinning, de producten die van dat ijzer werden gemaakt en de maakindustrie die zich daaruit ontwikkelde. Maar het Nederlands IJzermuseum wil meer: als een volwaardig museum alles over de ijzerindustrie op één locatie.

Tekst: Gerard Menting Foto: Luuk Stam

De eerste aanzet voor een ijzermuseum was 25 jaar geleden een tentoonstelling op de zolder van een van de leegstaande gebouwen van de ijzergieterij en emailleerfabriek DRU. Daar werkten toen nog 300 mensen. Vanuit de oudheidkundige vereniging OVGG werd geijverd om zo’n museum van de grond te krijgen, vertelt Peter van Toor. Wat zou het mooi zijn, werd toen gedacht, om in een van de gebouwen van dat industrieel erfgoed een Nederlands IJzermuseum te vestigen.

Sindsdien is er veel gebeurt, vertellen bestuursleden Van Toor (75) en Frans van Doesem (73) van het Nederlands IJzermuseum in het Schaftlokaal, het grandcafé dat is gevestigd in het voormalige portiersgebouw van DRU Industriepark. Het bedrijfscomplex werd een rijksmonument, de gebouwen kregen een nieuwe bestemming en het geheel wordt geprezen als een van meest geslaagde voorbeelden van hergebruik van industrieel erfgoed.

Iezer

Het ijzermuseum kreeg een plek in het samenwerkingsverband ICER. Dat staat voor Industrie, Cultuur, Educatie en Recreatie. Daarin werken het ijzermuseum, onderwijs, kunstenaars, de regionale industrie en CIVON (centrum voor innovatief vakmanschap) samen. “ICER kon toepasselijk als iezer worden uitgesproken, maar dat is jammer genoeg niet opgepikt”, zegt Van Doesem met een glimlach.

In de voormalige Afbramerij kregen de partners een plek, het ijzermuseum kon daar in een interactieve opstelling de kern van het museum met werkplaatsen zoals een smederij  laten zien. “Uiteindelijk bleken de partners te ongelijksoortig. Het Graafschap College zat dicht in vakanties, wij wilden dan juist open zijn vanwege de toeristen. We moesten op den duur inkrimpen omdat er meer ruimte voor innovatie en onderwijs nodig was,” legt Van Toor uit. Uiteindelijk hielden vier kernthema’s een plek in de Afbramerij, verspreid over andere gebouwen kon een deel van de collectie worden getoond.

Voor het bestuur is het een tijdelijke oplossing, onvoldoende voor de missie en de ambitie van het museum, maken Van Toor en Van Doesem duidelijk. “Het uitstallen van spullen is nog geen museum”, zegt Van Doesem. “Zeker zo belangrijk is het verhaal erachter. “Bovendien is het geen verdienmodel voor ons. Voor museumbezoek willen de mensen best betalen.” Ze hebben kortom behoefte aan vier muren en een dak, zoals Van Doesem het uitdrukt.

Toerisme

Partners zoals de gemeente Oude IJsselstreek, waarmee ze overigens prettig samenwerken volgens Van Toor, kennen hun wensen. “We zijn in het lobby-stadium.” Ze benadrukken het belang van een passend onderkomen voor het museum. Van Doesem: “Toerisme is in opkomst, daar heb je hotspots voor nodig. De ijzergeschiedenis is voor de regio een unique selling point.”

Een korte wandeling naar de Afbramerij laat aan de buitenzijde al zien hoe het museum op een creatieve manier bezoekers een expositie voorschotelt buiten openingstijden. “We noemen het een Walk-by Expo”, verklaart Van Toor. Thema’s uit de rijke historie van DRU komen met hulp van gesproken tekst via QR-codes tot leven. Er wordt nu gewerkt aan een nieuwe Walk-by Expo, met onder meer een ‘nagelboom’, een verzameling gesmede kunstwerkjes van smeden uit de Ring van Europese IJzersteden.

Ook zijn uiteenlopende kachels uit het verleden van de DRU te zien. “Dan zie je ook een belangrijke reden waarom we graag versterking willen hebben van vrijwilligers. Liefst wat jongere”, zegt Van Toor. “We hebben een trouw ledenbestand, heel vaardig, maar de jaren gaan tellen. Dat helpt niet als je voor de expositie twintig kachels moet versjouwen.”

Kanonskogels

In het gebouw zijn in vier kabinetten de kernthema’s van het museum verbeeld. Bezoekers kunnen daar op maandag, vrijdag of op afspraak in groepjes terecht. De vaste expositie begint met oer, de grondstof voor ijzer waaraan de regio het ontstaan van de ijzerindustrie te danken heeft. Op schaal is te zien hoe de koepeloven en de hoogoven functioneren. Vormen en het gieten van producten zijn de andere twee thema’s. Daar is een vorm te zien van de kanonskogels, uit de tijd dat Piet Heijn kanonnen afvuurde om de Spaanse Zilvervloot te veroveren.

Het streven is om een interactief museum te zijn, leggen ze uit. Voorbeelden zijn een grote blaasbalg, waarmee je kunt proberen de temperatuur naar het smeltpunt te krijgen, of voelen hoe zwaar het is om met een grote gietlepel ijzer in een vorm te gieten. In de aansluitende ruimte is een werkplaats met smederij, waar je op afspraak leert zelf een eenvoudig voorwerp te smeden.

Het pleidooi voor een eigen onderkomen moet teleurgestelde toeristen voorkomen. Ze komen nu het IJzermuseum bezoeken en krijgen op veel dagen in de week niet meer te zien dan de info in het Toeristisch Informatiepunt en de Walk-by expositie in de serre van de Afbramerij. Van Doesem: “De ambitie is er, de wil ook. Het publiek vraagt erom. De gemeenteraad heeft ook in motie vastgelegd dat hier een volwaardig ijzermuseum dient te zijn.” IJzer en staal is alom aanwezig, vult Van Toor aan. “Als dat wegvalt, storten veel gebouwen in en moet jij lopend naar huis.”