[Zutphen]

In het centrum van Zutphen werkt de 74-jarige Melgert Spaander nog dagelijks aan de restauratie van uurwerken en speeldozen. Een oud ambacht dat hij inmiddels al 51 jaar als zelfstandige uitoefent en waar hij een uitgebreide documentatie van bijhoudt. Zijn archief met vastgelegde kennis heeft hij nu ondergebracht in Stichting Provenance om het toegankelijk te maken voor anderen en zo al het mechanisch erfgoed verantwoord over te dragen aan de volgende generaties.

Tekst: Ceciel Bremer Foto: Luuk Stam

Wie het eeuwenoude pand uit 1354 aan de Rodetorenstraat binnen loopt, ziet en hoort direct de verscheidenheid aan klokken waar de uurwerkrestaurator aan werkt. Aan de muur hangen diverse grote en kleine klokken, op een werkbank staat een tafelklok met bellenspeelwerk en in het midden van de ruimte staat een zogenaamde planetariumklok van ruim een meter hoog met bovenop een hoepelsfeer, die verbonden is met het uurwerk. In een boek laat Spaander een afbeelding zien van hoe deze achttiende-eeuwse klok er oorspronkelijk heeft uitgezien. “Kijk, die sterren die je hier aan de binnenkant van het planetarium ziet, zijn er later opgeschilderd. Net als de goudkleurige lak aan de buitenkant. Vóór de restauratie wil ik erachter zien te komen hoe het er mogelijk oorspronkelijk heeft uitgezien en welke lak er is gebruikt, zodat ik weet hoe ik deze klok kan conserveren of restaureren.”

Dat is de reden dat Spaander het Rijkserfgoedlaboratorium van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft geraadpleegd. Een kostbaar onderzoek waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Met de resultaten van het onderzoek groeit immers de kennis van mechanisch erfgoed waar de Zutphenaar zich al ruim vijftig jaar voor inzet. “Als ik restaureer, moet ik me verdiepen in alle stadia die het object in de loop der tijd heeft doorgemaakt. Ik ga een klok niet verbeteren of veranderen, maar ik zorg er juist voor dat het weer kan werken zoals het is bedoeld. Ik zie het als mijn taak dat uurwerken als essentieel erfgoed van onze westerse cultuur niet verloren gaan”, luidt zijn nobel streven.

Mechanische beweging

Zijn fascinatie voor klokken begon al op zijn derde. “Mijn broertje werd geboren en ik was een drukke peuter. Mijn ouders hebben me toen tijdelijk ondergebracht bij mijn grootouders op de boerderij. Zij gaven mij een wekker om mij bezig te houden en op de een of andere manier was ik daar hele dagen druk mee. Die wekker was kennelijk alles voor mij. Later haalde ik wekkers en klokken uit elkaar en probeerde ze weer in elkaar te zetten, spoelde onderdelen onder de kraan en richtte zelfs de EHBK op: ‘Eerste Hulp Bij Klokken’’, lacht de geboren Amsterdammer die opgroeide in Bilthoven. Als hij de hond uitliet, keek hij wel bij buurtgenoten naar binnen of er iets van een klok te zien was. “Soms belde ik aan en vroeg of ik even naar hun klok mocht kijken. Ik vond het mateloos interessant als men vertelde over de geschiedenis van de klok. Af en toe zei er iemand: ‘Hij loopt toch niet meer, neem hem maar mee.’ Thuis zette ik die dan op de ombouw van mijn bed. Op een gegeven moment had ik daar allemaal wekkers en klokken staan. Als er ’s nachts één stil ging staan, werd ik daar wakker van. Ik was gewend geraakt aan het tikken. De mechanische bewegingen in een klok vind ik gewoon boeiend en interessant.”

Restauratie

Op school ging het (later bleek vanwege dyslexie) niet erg vlot met de jonge Melgert. Toen hij de torenklok bovenop het schoolgebouw van de hbs weer aan het lopen kreeg, bracht de conciërge hem in contact met de plaatselijke klokkenmaker waar hij veel van het vak leerde en die hem stimuleerde de uurwerkmakersopleiding in Schoonhoven te volgen. Zijn ouders hadden hun twijfels, maar stemden er wel mee in dat hij zijn eigen weg koos. “In die tijd repareerde een juwelier een klok vaak als een soort service. Dat leverde nauwelijks geld op. Maar ik wilde geen juwelier of antiquair worden, ik wilde me juist bezig houden met antieke klokken.”

Op zijn 23e vestigde de jonge Bilthovenaar zijn eigen werkplaats in het Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum in Utrecht om zich verder te bekwamen in het restaureren van historische klokken. “Uurwerken werden in die tijd, de jaren zestig, zelden gerestaureerd, maar alleen gerepareerd voor weinig geld. Het ging erom dat de klok weer kon lopen. Ik las veel literatuur over allerlei klokken om te zien hoe ze er oorspronkelijk hebben uitgezien en deelde dat ook met de klant. Als we het hadden over de kosten, dan noemde ik het algemene tarief van het standaard repareren, maar ook de kosten van het verbeteren van provisorische reparaties en het uiterlijk dichter naar het origineel brengen, zoals het bijmaken van het originele model wijzer, wat uiteindelijk het object ten goede zou komen.”

Druiventros

Zijn werkwijze sloeg aan, steeds meer eigenaren van gecompliceerde antieke klokken zagen hun uurwerk als historisch erfgoed of kunstvoorwerp. Hierdoor breidde zijn klantenkring zich uit naar eigenaren van landhuizen, kastelen en later ook het koninklijk huis. Zij vinden het belangrijk dat het uurwerk wordt gerestaureerd en willen de klok verantwoord overdragen aan de volgende generaties. Doordat hij ook voor het Stedelijk Museum Zutphen werkte en steeds meer in de Achterhoek kwam, besloot Spaander in 1982 naar Zutphen te verhuizen. Via wat omwegen kwam hij terecht in de historische Munt aan de Rodetorenstraat die hij in overleg met het Wijnhuisfonds als eigenaar en samen met zijn partner Bert Strijbos veelal eigenhandig in de oude staat terugbracht.

Op de begane grond bevindt zich de werkplaats, de bovenverdieping is ingericht als woonruimte. Boven op de vide van de werkplaats staat een grote archiefkast vol met hangmappen. Vanaf het begin van zijn arbeidzame leven houdt de restaurator, gespecialiseerd in klokken die muziek maken, een uitgebreide documentatie bij over de objecten die hij restaureert; met foto’s voor en na de restauratie, het type, de oorsprong, vormgeving, techniek en de geraadpleegde literatuur. Alles hangt in keurige mappen met tekeningen en dia’s uit de beginperiode.

De laatste jaren houdt de Zutphenaar zijn documentatie digitaal bij. Het is een gigantisch naslagwerk. Laatst nog toen hij een pendule restaureerde waarbij het druiventrosje van Bacchus ontbrak. “Ik herinnerde me dat ik ooit eerder precies zo’n klok had gerestaureerd en zocht het op. Van de eigenaar kreeg ik toestemming om een gietafdruk te maken en nu krijgt Bacchus dus zijn identieke druiventros terug op de klok die ik restaureer. Eigenlijk documenteer ik om te kunnen vergeten. Anders blijft die informatie maar in mijn hoofd, dan loop ik over en kan ik niet bezig zijn met de volgende klok”, vertelt hij om de noodzaak van zijn restauratiearchief aan te tonen.

Kennis delen

Al zijn vastgelegde kennis van ruim vijftig jaar ambacht heeft hij nu ondergebracht in Stichting Provenance om het voor anderen toegankelijk te maken. “Al mijn oude informatie moet nog gedigitaliseerd en geduid worden. We staan pas aan het begin. Waarom een stichting? Tja, waarom is geschiedenis belangrijk? Ik denk dat je een betere beslissing kunt nemen als je weet hoe het was. Als een archeoloog kom ik binnen in historische klokken op plekken waar niemand komt. Dat doe ik nu al jaren waardoor ik een referentiekader heb opgebouwd. Die kennis is denk ik waardevol voor anderen.”

Hoewel Spaander de zeventig al lang is gepasseerd, is hij nog niet van plan te stoppen met zijn werk. ‘Ik heb onderhoudscontracten afgesloten, dus zo lang ik het volhoud, ga ik door met restaureren en documenteren. Zodra ik vergeetachtig of onhandiger word, stop ik want dat kan ik de voorwerpen niet aandoen. Hoe beter de eigenaar over de klok geïnformeerd is, hoe beter het met de klok gaat.” Ter illustratie zijn specialisatie in klokken die muziek maken: van alle circa 300 speelklokken die hij ooit restaureerde, heeft hij zijn kennis én de geluidsopnames vastgelegd. Daarom is Spaander ervan overtuigd dat er vroeg of laat ‘zoekers’ zijn, die baat hebben bij zijn archief. “Ik ben ervan overtuigd dat er altijd iemand is met passie voor dit vak, die kennis wil vergaren en blij is met alle documentatie.”