[Beltrum]
Hij hoorde bij de allereersten die een survivalrun volbrachten, toen een nieuwe sport waaraan hij meteen verkocht was. Dertig jaar later klust Frank klein Gebbink nog altijd mee als op het nieuwe trainingsveld in Beltrum 14 meter lange eiken stammen worden verwerkt tot unieke hindernissen.

Tekst: Gerard Menting Foto: Marcel Houwer

Beltrum is de bakermat van de survivalsport. Daar gingen Jan Maarse en Stef Beunk van vriendengroep de Losse Flodders in 1988 het veld in om het vossenspoor voor de jaarlijkse slipjacht uit te zetten. Ze bedachten dat het 15 kilometer lange parcours, voorzien van enkele hindernissen, een mooie uitdaging zou zijn om met een groepje sportvrienden af te leggen. De zondag na de slipjacht gingen 25 sportievelingen op pad en schreven zo historie.

Begin januari volgt de 31ste editie van de Survivalrun Beltrum. Frank klein Gebbink (55) behoort dan niet tot de deelnemers. “De eerste vijftien edities heb ik allemaal meegedaan”, vertelt hij. “Ik train nu nog regelmatig maar doe geen wedstrijdsport meer. Wel recreatief, zoals de familierun drie jaar geleden samen met mijn zoon en twee dochters. Vorig jaar heb ik met mijn zoon de hele run gelopen. Dat was schitterend mooi.”

Natuurlijke vormen

Klein Gebbink woont in Eefsele, op het ouderlijk huis dat naadloos past in het landschap met weilanden, houtwallen en op enkele honderden meters afstand de boerderij van de dichtstbijzijnde buren.

Kronen, wortels, kromme takken: voor elk stuk hout is wel een mooie toekomst

Als je het erf op komt, vallen direct de houten buitenmeubels op. Hij ziet in de natuurlijke vormen van stammen en takken de mogelijkheden voor een nieuw leven van het dode hout. Het is een passie waar hij zijn beroep van heeft gemaakt. Kijk je iets omhoog dan zie je stevige blauwe touwen die bomen met elkaar verbinden. Ook op eigen erf kan hij de spieren soepel houden met trainingsvormen voor de survivalrunsport, zijn andere passie.

Voordat hij zijn eerste survivalrun liep, was hij al veel met buitensport bezig. “Van kinds af aan heb ik hardlopen mooi gevonden. We hadden ook een tarzanbaan, met touwen als lianen slingerden we op acht meter hoogte van de ene boomhut naar de andere. De touwen hadden we van strotouw gevlochten. Levensgevaarlijk!”, zegt hij nu.

In dienst ontdekte hij de hindernisbaan. “Dat was op mijn lijf geschreven. Vrijwel iedereen begon te vloeken, ik vond het leuk. Na twee dagen vroeg de kapitein al of ik in het team wilde, dat aan wedstrijden mee deed.”

Ontwerpen

Als sportman hoorde hij de eerste jaren bij de middenmoot, later vocht hij zich naar de top. Hij werd actief in de parcourscommissie, die locaties keurde op veiligheid, en was bestuurslid. Vaak bedacht en bouwde hij voor wedstrijden in de regio ook hindernissen. “Dat vind ik mooi, hindernissen zo ontwerpen dat je inzicht en kracht nodig hebt om er doorheen te komen.”

Hij is van de partij als in november bouwers aan de slag gaan voor de Beltrumse survivalrun op 5 januari. Daarvoor zijn tientallen hindernissen ontworpen, die vanaf begin november op het parcours worden gebouwd.

De grote bok op het trainingscomplex, dat in aanbouw is op sportpark De Sonders in Beltrum, is een gezamenlijk ontwerp van de werkgroep, waar klein Gebbink zijn kennis over techniek en montage in kwijt kan. “Joekels van boomstammen zijn het, 80 centimeter in doorsnee”, beschrijft hij. Ze zijn 16 meter lang, daarvan wordt 14 meter gebruikt. Op de vier hoeken komen piramides, die allemaal met een raamwerk van touwen met elkaar worden verbonden. Hij helpt ook mee met de bouw. “Wel handig dat ik alle mogelijke gereedschappen bij de hand heb.”

Dood eiken

Dat heeft te maken met zijn andere passie, het bewerken van hout. Hij maakt meubels en andere producten van dood eiken. De bomen komen uit bossen of van particulieren. Die blijven bij hem nog een aantal jaren op het terrein liggen, zodat uiteindelijk het harde kernhout overblijft. “Aan de buitenzijde zit spint, aangetast hout dat zachter is en er uiteindelijk door rotting afgaat.”

‘Ik train nu nog regelmatig maar doe geen wedstrijdsport meer.

Hij demonstreert een zelf geconstrueerd schilapparaat, waarmee hij dat ook mechanisch kan doen. Wat overblijft, is de keiharde kern die misschien nog wel 100 jaar meegaat. “Dat is ook de kern van mijn visie: niets weggooien, gebruik het zo lang mogelijk.” Hij wijst op een stapel oude eiken planken, gered uit een afvalcontainer. Hij snapt niet dat het zo maar wordt weggegooid. Kronen, wortels, kromme takken: voor elk stuk hout is wel een mooie toekomst te bedenken.

Hij kan er niet bij dat het verwerken van hout tot pellets om in de kachel te verbranden als een goed alternatief voor gas wordt gezien. “Het zorgt zelfs voor meer CO2! Elders op de wereld hakken ze bossen om voor pellets, die ze hier naartoe vervoeren. Dan zakt de moed je in de schoenen. We moeten zuinig zijn op wat we hebben en het zo lang mogelijk gebruiken. Die omslag in denken, moet er komen. “

Samenwerken

Hij maakte in 2007 na een artikel in Landleven de overstap van landbouwmechanisatie naar werken met hout. “In het begin werkte ik alleen, dat was wel wennen. Wat steeds meer gebeurt, is dat ik samen met de klant werk. Ze komen meehelpen aan hun eigen product, soms ook met eigen hout. Zo maakt de klant mede zijn eigen meubel en dat maakt het bovendien voor hem goedkoper.”

Hij laat enkele voorbeelden zien, van verbrede vensterbanken met ondersteuning van een tak, een urn en een blad voor een tafel. “Dat laatste doe ik wel vaker: de klant heeft bijvoorbeeld een Ikea-kastje en ik maak daar een mooi natuurlijk eiken blad op.”

Nog even over de naam. Heet hij nu Frank Diekman (zoals op de website van zijn bedrijf) of Frank klein Gebbink (zoals in de administratie van de survivalrunbond)? “Allebei”, legt hij glimlachend uit. “Mijn vader werd met de naam van zijn huis aangesproken, Diekman. Dat heb ik erin gehouden, voor mijn klanten hier ben ik Frank Diekman. Daarbuiten is het klein Gebbink.”