[Doetinchem]

Hans Keuper, frontman van de band Boh Foi Toch, is sinds zijn studententijd een warm pleitbezorger van de Achterhoekse taal en cultuur. Daarvoor kreeg hij onlangs de Willem Sluiter Prijs. Zijn huis ligt vol met mappen en dozen met verhalen, gedichten en columns. Die worden gebundeld en in drie boeken uitgegeven.

Tekst: Henk Waninge Foto: Harry Pastoor

Met gemengde gevoelens kijkt hij terug op de coronapandemie. Het was een vervelende tijd omdat er een streep ging door 70 optredens van Boh Foi Toch – geen inkomsten – maar het was ook een fijne tijd. “In alle rust zijn Rita en ik aan het opruimen gegaan. Vanaf mijn studententijd liggen er allerlei mappen en dozen met knipsels, aantekeningen, columns, gedichten en verhalen in huis. Die hebben we geordend. Al gauw ontstond het idee een boekje uit te geven. Dat komt er nu,” zegt Hans Keuper (77) uit Doetinchem.

De hem toegekende Willem Sluiter Prijs – de juryvoorzitter noemde hem een boegbeeld van de Achterhoekse taal en cultuur – is hierbij een belangrijke katalysator geweest. Want met de hieraan verbonden 5.000 euro kunnen de kosten van het boekje betaald worden. Er is inmiddels zoveel materiaal opgedoken dat er plannen zijn voor een tweede (met verhalen) en een derde ‘buukske’ (met gedichten).

Het eerste boekje, dat nog voor de kerst moet verschijnen, is gevuld met columns, de helft in het dialect, de andere helft in het Nederlands. “Het zijn kritische en persoonlijke benaderingen van situaties in de kleine wereld die ik vertaald heb naar de grote wereld. Het ABN is doorspekt met Nedersaksische woorden en uitdrukkingen, die je niet in een woordenboek zult aantreffen.”

Drikusman

Hans Keuper, denkt, droomt en praat in het Nedersaksisch. Als student biologie in Utrecht droeg hij al in de jaren zestig de Achterhoekse taal uit en daar is hij nooit mee opgehouden.“Het is begonnen met de oprichting van ‘ t Saksisch College, een clubje  voor studenten uit Twente, Salland en de Achterhoek. Het was een geintje. Ik herinner me twee hoogtepunten: het dansen van de Driekusman op de bar van een kroeg en het planten van een vriendschapseik in Anholt om er zeker van te zijn dat we jaarlijks werden uitgenodigd voor het Anholter Schützenfest.”

In die tijd schreef Hans Keuper al verhalen in het Nedersaksisch. Na zeven jaar Kameroen keerde hij naar de Achterhoek terug en ontplooide daar allerlei activiteiten op het gebied van streektaal en -cultuur. Zo richtte hij in de jaren 90 samen met Jan Manschot, Ferdi Joly en Willem te Molder Boh Foi Toch op, was lid van dialectkring Achterhoek en  Liemers, zat in de redactie van ‘voortplantingsorgaan’ De Moespot en was samen met zijn vrouw Rita de initiator van de Achterhoek Spektakel Toer, het rondreizende straat- en muziekfestival.

Rode draad

“Er is een rode draad, die begint bij mijn opa, Hij schreef in het dialect in een Gelders landbouwblad; rijmpjes, spreuken, gedichten maar ook kritische stukken. Het stokje werd overgenomen door de Veluwse dichter/schrijver Hermen Bonhof, die in mij zijn geestelijke zoon zag. Op mijn beurt heb ik de fakkel doorgegeven aan Daniel Lohues. In de begintijd van zijn band Skik heeft hij hier vele uren gezeten. Hij praatte vol vuur over het nooit tot stand gekomen grote Rijk der Saksen. Hij heeft zelfs een liedje geschreven over leider Widukind (Wittekind), voornaamste tegenstander van Karel de Grote.”
“Het idee als zouden wij rechtstreekse afstammelingen van de Saksen zijn, vind ik flauwekul. Natuurlijk stroomt er bloed van de Saksen door onze aderen maar ook van de Romeinen, Fransen en Duitsers. Er hangt bij aanhangers van die theorie een romantische deken over onze afstamming. Dat vind ik een beperkte kijk. Blijf niet hangen in het verleden, maar breng naar buiten wat er nu gaande is, wat er nu speelt.”

Hoe is het eigenlijk gesteld met het dialect, houdt het zich staande of gaat het bergafwaarts? “Ik wil geen rampprofeet zijn maar het gaat niet goed. Het dialect wordt steeds minder gesproken, zeker in het westelijk deel van de Achterhoek. Ik gaf laatst een paar voorstellingen op een basisschool in De Heurne. Ik vroeg aan de kinderen: ‘Wie praat er nog plat met papa en mama?’ Er was er geen één. Overigens is de teloorgang geen typisch Achterhoeks of Nedersaksisch verschijnsel. In elk land met een bovenliggende cultuur hebben dialecten het moeilijk, denk aan het Gaelic in Ierland. Daar komt nog iets bij: een taal met zijn eigenaardigheden en ‘leukigheden’ heeft in deze internettijd weinig of geen kans om te overleven. Zelfs het ABN wordt bedreigd. Zo krijgt een kleinkind van ons, die in Enschede studeert, les in het Engels.”

“Het is jammer dat het zo loopt maar het is nu eenmaal zo. Ik wil geen Don Quichot zijn. Wel vecht ik voor respect. Respect van de zogenaamde bovencultuur voor mensen die anders zijn, anders praten en anders doen.”

Indirect


Voor Hans Keuper is een van de aantrekkelijke kanten van het Achterhoeks de indirecte manier van praten. De voorstellingen van Herman Finkers zitten er vol mee. “Je zegt het niet maar intussen weet iedereen waar het over gaat. Kenmerkende Oost-Nederlandse humor.”

Jao, jao (het zal wel) is een ander bekend voorbeeld. Keuper komt met een anekdote op de proppen. Rita’s tante Hannah hoorde dat hij een tijd in Kameroen was geweest. Ze vroeg hem welke taal hij daar sprak. Het antwoord was Frans. Hannah: ‘Kun-ie dat dan? Laot ‘ns heuren’. Hans: ‘Bonjour madame, comment ça va?’ Hannah met een ongelovige blik: ‘Wie zegt mien dat dat waor is’ .”
De anekdote kent nog een tweede deel. Aan een brugklas in Doetinchem vertelde hij het verhaal van Daniel in de Leeuwenkuil. Op zeker moment zegt koning Nebukadnezar iets in het Aramees. Keuper schrijft de tekst op het bord en vraagt aan een Syrisch meisje hoe je dat uitspreekt. Ze doet dat, de hele klas is sprakeloos. Behalve Jantje Roenhorst. Die roept: ‘Wie zegt mien dat dat waor is.’”

Keuper lacht bij de herinnering. “Dat indirecte, iets niet zeggen, maar wel bedoelen, tref je ook aan bij allerlei gebruiken en rituelen. Zoals bij het inzamelen van geld door de naobers voor een feestje van de buurman. Dat gaat vaak onderhands, onder de tafel door, een beetje rommelig, lacherig. Voor westerlingen, die heel direct zijn, heeft dat iets achterbaks. ‘Nee,’ zeg ik dan, ‘dat heeft te maken met onze cultuur, onze geschiedenis’. Daar moet je respect voor hebben. Dat hoef je van veel Hollanders niet te verwachten. Kijk maar eens hoe ze omgingen met de bevolking van Nederlands-Indië. ‘Die mensen zijn niet te vertrouwen, je weet nooit wat je aan ze hebt, ze zijn Oost-Indisch doof, was de gangbare opvatting. In beide gevallen heeft het te maken met het spanningsveld tussen een dominerende en onderliggende cultuur.”

Onderbuik


Hans Keuper is Achterhoeker in hart en nieren maar de bekende groen-wit-zwarte vlag zul je niet bij hem aantreffen. “Vlaggen associeer ik met marcheren, volksliederen zingen, met de hand op de borst. Je wilt hiermee een saamhorigheidsgevoel opwekken maar dat is wel gericht tegen iets of iemand. Een vlag kun je gebruiken om te overheersen of omdat je bang bent om overheerst te worden. Dan wordt het verstand niet meer gebruikt, het appelleert aan onderbuikgevoelens. Er zijn veel mensen kapot gemaakt om een vlag. Denk maar aan die bekende foto van Amerikaanse militairen die aan het eind van de oorlog de Star and Stripes plantten op het Japanse eiland Ivo Jima.”

De Doetinchemmer is er wel voorstander van om, net als in Friesland, plaatsnamen in de Achterhoek te voorzien van de oorspronkelijke naam. Dus Dinxper (Dinxperlo), Hengel (Hengelo) en Diem (Didam). “Welk bord boven komt te hangen maakt me niet uit, het gaat om mensen duidelijk te maken wat de eerste naam was. Zie het als een reactie op de eeuwenoude terreur uit het westen. Als je daartoe overgaat, moet wel duidelijk zijn hoe de oorspronkelijke naam was. In Groenlo zijn ze daar mee bezig geweest. De een zei dat het Grol was, de ander Grollo.”

Muziek

Aan het eind van het gesprek komt de muziek ofwel Boh Foi Toch ter sprake. Na anderhalf jaar droog te hebben gestaan, gaat de band weer optreden. Rita, die is aangeschoven, zegt: “Wat mij altijd opvalt, is dat muziek en teksten drie generaties aanspreekt, het leeftijdsverschil valt weg. De liedjes worden met plezier meegezongen. Voor de jongeren, die vaak een agrarische achtergrond hebben, is het een stukje zelfbevestiging, daar krijgen ze zekerheid van.”

Haar man: “We hebben geen boodschap, we willen het publiek gewoon een plezierige middag bezorgen. Dat doen we in het Achterhoeks maar ik wil geen boegbeeld zijn.”

Al met al heeft Hans Keuper een omvangrijk oeuvre opgebouwd. Bang dat het straks ergens op een zolder ligt te verstoffen, hoeft hij niet te zijn. Want zijn 17-jarige kleinzoon heeft inmiddels laten weten dat ‘alles in huis hem interesseert en dat hij al zijn boeken wil hebben’. De fakkel wordt dus weer doorgegeven.